|
OPERA
NEDERLAND |
|
|
REPORTAGE Nederlandse opera's van de 20ste eeuw (1) Door: Mark Duijnstee Jan Brandts Buys - ‘Die Schneider von Schönau’ De Nederlandse opera's van de 21ste eeuw zijn vaak opera’s, die in opdracht van een gezelschap geschreven worden en aangespoord zijn door een bepaald dramatisch idee of gevoel en niet zozeer door een verhaal. De première wordt aangekondigd met veel tamtam, de productie loopt een aantal weken, wordt mogelijk gevolgd door een tweede elders, maar sterft tenslotte een stille dood. Onder de Nederlandse opera’s van de 20ste eeuw bevindt zich echter een schat aan repertoire, die het verdient om door de Nederlandse muziekinstituten te worden uitgevoerd. Deze gezelschappen, die maatschappelijk subsidiegeld ontvangen om het Nederlandse cultuurgoed te onderhouden, negeren echter deze opera’s in plaats van ze te promoten. Aan de hand van opnamen zal een aantal Nederlandse opera’s van de 20ste eeuw besproken worden. Nederland had tot de 20ste eeuw geen
echte operatraditie. De eerste Nederlandse
opera is ‘De Triomfeerend Min’, een zangspel van Carolus Hacquart (c. 1649 – c.
1730), een werk dat gepubliceerd werd in 1680, maar pas in 1920 voor het eerst
werd opgevoerd. Er zijn een paar andere laat 17e-eeuwse opera’s geschreven, maar
allen zijn verloren gegaan. De hele 18e eeuw is verstoken van Nederlandse
bijdragen aan de operaliteratuur. De 19e eeuw toonde incidentele gevallen, zoals
de opera ‘Catharina en Lambert’ (1888) van Cornelis van der Linden (1839 –
1918), waarmee De Hollandse Opera in Amsterdam werd geopend. Een andere opera
van deze componist was ‘Leiden ontzet’ (1893). Pas de volgende generatie
bevatte belangrijke componisten zoals Johan Wagenaar (1862 – 1941), wiens
opera’s ‘Doge van Venetië’ (1904) en ‘De Cid’ (1926) ernstige, maar ook realistisch-satirische, Nederlandse kenmerken bevatten. De opera’s van
Jan Brandts Buys (1863 – 1933) waren met name internationaal succesvol. Jan Brandts Buys
Brandts Buys kon zich op een
zeker moment een succesvol en rijk man noemen, omdat zijn stijl aansloot bij de
smaak van het Duitse en Oostenrijkse publiek. Naast een pianoconcert, waarmee
hij de Bösendorferprijs won, schiep Brandts Buys kamermuziek. Verder schreef hij
liederen, die door onder anderen de beroemde sopraan Lilli Lehmann uitgevoerd
werden. Maar het meest is Brandts Buys bij zijn publiek bekend geworden door
zijn opera’s. Hij schreef tien opera’s, waarvan hij negen voltooide. Zijn eerste
opera ‘Das Veilchenfest’ bracht hem in 1909 naar de Komische Oper van Berlijn.
Deze opera werd geen succes, maar dat lag meer aan de gebrekkige samenwerking
tussen regisseur en dirigent. Zijn tweede opera ‘Glockenspiel’ volgde in 1913 in
Dresden. Daarna volgden ‘Die Schneider von Schönau’ (1916, Dresden), ‘Der
Eroberer’ (1918, Dresden), ‘Micarème’ (1919, Wenen), ‘Der Mann im Mond’ (1922,
Dresden), ‘Traumland’ (1927, Dresden) en de niet opgevoerde opera’s Hero und
Leander’ (1929), ‘Ulysses’ (1932) en een opera zonder titel (1898). In 1928
vestigt Brandts Buys zich in Salzburg, waar hij op 7 december 1933 aan
blaaskanker overleed. ‘Die Schneider von Schönau’ Synopsis ‘Die Schneider von Schönau’ is een opera in drie akten. Het verhaal is gebaseerd op het aloude motto: “Als twee honden vechten om een been, loopt een derde ermee heen”. De tijd is onbepaald, waarschijnlijk om de algemene geldigheid te benadrukken van het over te brengen moraal. Het hoofdthema van het verhaal is de tegenstelling domkop – slimme jonge kerel.
II. Het muzikale hoogtepunt van de opera zit aan het begin van de tweede akte. Veronika zit nog steeds thuis te dubben wat ze moet doen en wie ze moet kiezen. De aria zet in met een viool-solo en modulaties en “Seufzer”-motieven verklanken haar twijfels. Buiten wordt geroddeld over de fouten in de kledingstukken, die de kleermakers telkens weer maken. Florian luistert achter een boom mee. Folz heeft Veronika’s klok gerepareerd en brengt hem haar terug. De klokkenmaker ziet het hart van Veronika harder slaan en vergelijkt in een groots opgezette scène en aria “Ich bringe euch die Uhr zurück… Das Werk, das im Gehäuse lebt” (Uhrenlied) – met de allure van Grand Opéra – het binnenwerk van een klok met het hart van een mens. In bedekte termen raadt hij haar aan in de liefde haar hart te volgen. Op dit moment, precies in het midden van de opera, kiest Veronika voor Florian – men hoort het al in diens toonsoort E-groot - alleen laat zij dat nog niet merken. Aan het einde van de akte gaat Florian naar Veronika en stelt haar voor om een wedstrijd tussen de kleermakers te organiseren. Degene die hem het snelst een passend pak kan aanmeten, mag met Veronika trouwen. Veronika vindt dat een goed plan. III. De derde akte begint met het naaimotief: een perpetuum mobile van heen-en-weer gaande achtsten. Op een marktplein vindt de wedstrijd plaats. De drie kleermakers met hun leerlingen beginnen het pak te maken en ze hebben het tegelijkertijd af. Ook passen de pakken allemaal. Om tot een beslissing te komen, doet Florian de kleermakers een blinddoek om, draait hij ze een paar keer om en vraagt hen vervolgens om Veronika te zoeken. Daarna maakt hij zich met Veronika uit de voeten en trouwt met haar. Geschiedenis ‘Die Schneider von Schönau’ is de derde en meest bekende opera van Jan Brandts Buys. Brandts werkte 13 maanden aan de partituur. De wereldpremière was op 1 april 1916 in de Semperoper van Dresden. De rol van Veronika werd gezongen door de sopraan Minnie Nast – zij was Sophie in de eerste ‘Der Rosenkavalier’ – en een jonge Elisabeth Rethberg zong de rol van Michele. De zaal was helemaal uitverkocht en het succes was groot. Een deel van het succes was te danken aan het voortreffelijke libretto van Bruno Warden en J.M. Welleminski. Aan het einde van de voorstelling moest Brandts Buys diverse keren terugkomen om de ovatie in ontvangst te nemen. De vermaarde regisseur Hans Gregor – intendant van de Weense Staatsopera – introduceerde het werk in februari 1917 in Wenen. Daar zong de sopraan Lotte Lehmann de rol van Veronika en de bas Richard Mayr – aan wie Brandts Buys ook zijn vier liederen op. 42 had opgedragen - zong burgemeester Foltz. De Nederlandse première was op 2 oktober 1917 in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het was de eerste voorstelling van De Nederlandsche Opera in het seizoen 1917-1918, het tweede seizoen dat deze operaonderneming bestond. Als ‘De Kleermakers van Marken’ was de opera in een Nederlands gewaad gestoken en de plaats van handeling was verplaatst naar Volendam. De vertaling was van de hand van de Haagse kunstcriticus en hoofdredacteur van het weekblad ‘De Kunst’ N. H. Wolf. De zaal was geheel uitverkocht en aanwezig waren onder anderen de componisten Catharina van Rennes, Julius Röntgen en Daniël Ruyneman en schrijver Frederik van Eeden. Jan Brandts Buys was er zelf niet bij. De solisten waren Louis Tulder (Steketee = Siegele), Jules Moes (Sebastiaan = Florian) en Annie Ligthart (Veronika). Het orkest stond onder leiding van dirigent Willem Harmans, die als kapelmeester aan het Deutsches Stadttheater in Poznán ‘Die Schneider von Schönau’ in januari 1917 al drie keer had gedirigeerd.
Ook regisseur Walter Felsenstein was enthousiast over ‘Die Schneider von Schönau’. In 1929 regisseerde hij de opera in Basel. Voor een geplande opvoering in Salzburg in het kader van de Festspiele in 1938, was Felsenstein gevraagd de regie te voeren, maar door de ‘Anschluss’ ging de opvoering niet door. In Nazi Duitsland waren opvoeringen van ‘Die Schneider von Schönau’ verboden, omdat Welleminski - de librettist van ‘Der Schneider von Schönau’ - joods was. Na de Tweede Wereldoorlog waren er incidenteel oplevingen van de opera, zoals in 1951 in Dresden en in 1963 in Würzburg. In Nederland arrangeerde de AVRO in 1952 een studio-uitvoering, die in hetzelfde jaar werd uitgezonden voor de radio. Destijds bekende solisten als Aukje Karsemeyer en John van Kesteren zongen de rollen van Veronika en Sebastiaan begeleid door het Radio Philharmonisch Orkest en het Omroepkoor. Dirigent was Paul van Kempen, die de opera in 1917 als eerste concertmeester in Poznán onder leiding van Harmans had gespeeld. In 1991 was het weer de omroep – dit maal de NOS en VPRO-radio – die het werk liet herleven, nu in de originele Duitse versie. In het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg voerden voornamelijk buitenlandse solisten de opera uit met het Groot Omroepkoor en het Radio Symfonie Orkest onder leiding van dirigent David Parry. Bespreking Vorm ‘Die Schneider von Schönau’ is geen komische opera maar een volksliedachtige speelopera met levendig muziek. Het geheel bestaat uit een voorspel en 23 muzieknummers. De opera klinkt als een nummeropera, maar eigenlijk is het doorgecomponeerd. Veel scènes eindigen namelijk op een “Trugschluss” en vloeien in elkaar over. Elke acte heeft een afgeronde vorm. De stijl is echter hoekig, droog en stijf en de melodische lijnen zijn zelden afgerond. Het da capo is overheersend. De lyriek is kortademig en marsachtig en geïnspireerd op het Duitse volkslied in een vroeg-romantisch idioom. Libretto De handeling van ‘Die Schneider von Schönau’ speelt zich af in een kleurrijke omgeving met een vrolijk karakter en is net als de muziek niet dramatisch, maar geestig. De verhaal brengt een liefelijke en idyllische wereld op het toneel met tot doel het publiek te amuseren. De tekst van ‘Die Schneider von Schönau’ is toegankelijk en heeft een voorspelbaar rijmschema. In feite is ‘Die Schneider von Schönau’ een voorloper van het nieuwe genre “conversatieopera” door haar declaratoire stijl. Toch zijn er geen gesproken dialogen, maar is alles gezongen. Opvallend zijn de overeenkomsten van ‘Die Schneider von Schönau’ met ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ van Richard Wagner. Christian Folz is de man met de moraal en de wijze woorden en daarmee vergelijkbaar met Hans Sachs. De drie kleermakers vertegenwoordigen - in nog sterkere mate dan het gilde van de meesterzangers - de strakke traditie van de pre-industriële handwerkslieden. De naaiwedstrijd op het marktplein doet sterk denken aan het zangconcours op de feestweide. Muziek
Referenties 1. Ten Bokum - Jan Brandts
Buys, een Nederlander in Oostenrijk (Zutphen: Walburg Pers, 2003) |
|