|











| |
REPORTAGE
Helden
en heldinnen van Opera Nederland tot 1939 (1)
Door: Mark Duijnstee
Josef
Orelio, bariton (1854 - 1926)

Joseph
Marie Theodor Orelio
werd geboren op 10 april 1854 in Den Bosch.
Hij groeide als één van drie kinderen op in een arm gezin.
Orelio slaagde op zestienjarige leeftijd voor
het toelatingsexamen van de Kweekschool voor Onderwijzers en in 1874 kreeg hij
als hulponderwijzer een betrekking in Dordrecht. Daar werd hij lid
van het zangkoor
‘Kunstmin’, dat
onder leiding stond van Cornelis van der Linden en werd hij geïntroduceerd bij de bekende Dordtse sopraan Wilhelmina Gips. In 1876
trad Orelio voor het eerst op tegen betaling als solist in een concert, dat
door hem zelf werd beschouwd als het begin van zijn professionele
zangcarrière. Vervolgens ging hij zanglessen nemen
in Den Haag bij Richard Hol. Die haalde hem in 1882 naar Utrecht, waar Orelio leraar werd aan de
muziekschool.
De
grote doorbraak van Orelio was in 1886, toen hij geëngageerd werd voor ‘Hollandsch Opera Gezelschap’.
Dit gezelschap was even daarvoor
door Johannes de Groot in Amsterdam
opgericht, die daarmee de basis legde voor een Nederlandse operacultuur. Orelio debuteerde
daar als operazanger op 16 oktober 1886 in de opera
‘Faust’ van Charles Gounod als Valentin in de Parkschouwburg van Amsterdam. De
jaren daarna zong hij bij het gezelschap in opera’s als Escamillo in ‘Carmen’,
Bartolo in ‘Il Barbiere di Siviglia’, Luna in ‘Il Trovatore’, Alphonse in ‘La
Favorita, Iago in ‘Otello’ van Verdi, Nevers in ‘Les Huguenots’, Pizarro in ‘Fidelio’,
Enrico in ‘Lucia di Lammermoor’, Alfio in ‘Cavalleria Rusticana’, Nelusko in ‘L’Africaine’,
Telramund in ‘Lohengrin’, Zurga in ‘Les Pêcheurs du Perles’, Tonio in
‘Pagliacci’ en Amonasro in ‘Aida’ en de titelrollen in ‘Rigoletto’, ‘Guillaume
Tell’ en ‘Hamlet’ van Thomas. Bij het ‘Hollandsch Opera
Gezelschap’ kwam Jos Orelio ook in contact met de zangeres Amélie van Zant, met
wie hij op 26 januari 1888 in het huwelijk trad. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Orelio was in 1892 te horen
bij de Wagnervereeninging
als Pogner in
‘Die
Meistersinger von Nürnberg’.
Vier jaar later in 1896 zou hij de rol van Kothner zingen in de eerste integrale
opvoering van de opera van de
Wagnervereeniging. In 1894 vertrok Cornelis van der Linden, die sinds 1888 dirigent van de
‘Hollandsch Opera-Gezelschap’ was, na een ruzie met De Groot met een groot deel
van de medewerkers - onder wie het echtpaar Orelio - naar het Leidseplein in
Amsterdam. Terwijl De Groot verder ging met de ‘Nederlandsche
Opera-Vereeniging’, richtte Van der Linden in de Stadsschouwburg een nieuw
gezelschap op, dat vanaf 1 september 1894 verder ging onder de naam ‘Nederlandsche
Opera’. Dit gezelschap kende zijn bloeitijd in de periode tussen 1894 en
1903, een tijdvak waarin ook Orelio zijn top bereikte. Hier zong hij naast onder
andere bovengenoemde rollen nog partijen als de titelrol in ‘Der fliegende
Holländer’ in 1895, Toulouse in ‘Jéruzalem’ van Verdi, Wolfram in ‘Tannhäuser’
in 1895, Wotan ‘Die Walküre’ in 1897, Salomon in ‘Die Königin von Saba’ van
Goldmark in 1899, Herodes in ‘Hérodiade’ van Massenet, Hans Sachs in ‘Die
Meistersinger von Nürnberg’ in 1900, Hans Mathis in ‘Der polnische Jude’ van
Weis in 1902.
In
1902 vierde
Orelio zijn 25-jarig jubileum als zanger. Ter gelegenheid van dit jubileum werd
een model in klei getoond van een borstbeeld van de zanger, dat vervaardigd was door
Abraham Hesselink. Het zou - gegoten in brons - in 1904 een plaats krijgen in de
Amsterdamse Stadsschouwburg (waar het vandaag de dag nog steeds te zien is). Orelio ontving de huldeblijken op een moment dat het met de ‘Nederlandsche
Opera’ niet meer zo goed ging. In 1902 raakte deze instelling in de problemen.
Er ontstond een splitsing in de ‘Vereeniging De Nederlandsche Opera’ en ‘Vereeniging
De Nieuwe Nederlandsche Opera’. Orelio zong bij het laatste gezelschap in
eerst de Hollandsche Schouwburg en daarna het Paleis voor Volksvlijt,
allebei te Amsterdam.
De ‘Vereeniging De
Nieuwe Nederlandsche Opera’
presenteerde zich vanaf april 1904 als ‘De Hollandsche Opera’ in het
Paleis voor Volksvlijt. Vanaf 1906 trad Orelio bij meerdere gezelschappen op,
zoals bij de ‘Nationale Opera’, de ‘Nederlandsche Opera van het Rembrandttheater’,
de ‘Opera-Vereeniging’, het
‘Nederlandsch
Opera Gezelschap’
en het ‘N.V.
Nederlandsche Opera en Operette’.
Nieuwe rollen waren onder andere Germont in ‘La Traviata’ in 1909, Le Père in
‘Louise’ van Charpentier in 1910, Hoël in ‘Dinorah’ van Meyerbeer in 1911,
Nilakantha in ‘Lakmé’ van Delibes en Frère Lorenzo in ‘Roméo et Juliette’ van
Gounod in 1912.
Uiteindelijk
had Orelio rond de 90 operarollen op zijn repertoire staan. Regelmatig zong hij
ook in het buitenland. Tijdens een grote tournee door Nederlands-Indië tussen
juni 1904 en augustus 1905 gaf hij 136 concerten en 16 voorstellingen van
‘Hamlet’ en ‘Tosca’. Daarna zong hij in het seizoen 1907 / 1908 in de Royal
Opera House Covent Garden van Londen in onder andere ‘Lohengrin’, ‘’Tannhäuser’,
‘Die Meistersinger von Nürnberg’, ‘Der fliegende Holländer’ en ‘Fidelio’.
In september 1912
vestigde Orelio zich als “leeraar in zang en dramatisch spel” in Amsterdam.
Hij vierde in 1916 zijn veertigjarig jubileum als zanger met wederom
een tournee langs vele steden in Nederland. In hetzelfde jaar kwam zijn
autobiografie uit onder de titel ‘M’n gedenkschriften; Voor 't Nederlandsche
volk opgeschreven naar aanleiding van m'n 40-jarig jubileum als concert- en
opera-zanger 1876-1916’. In 1920 gaf Orelio zijn laatste voorstelling als
Méphistophélès in ‘Faust’ van Gounod bij de Volksopera & -operette in het
Rozentheater te Amsterdam. In dat jaar werd hij ziek en besloot hij in Zandvoort
te gaan wonen. Door suikerziekte waren zijn loop- en gezichtsvermogen steeds
verder achteruit gegaan. Jos Orelio overleed op 25 maart 1926 - 72 jaar
oud - te ’s-Gravenhage en hij werd ter aarde besteld op de begraafplaats
Zorgvlied te Amsterdam.
Bronnen:
1. Orelio – M’n
gedenkschriften; Voor 't Nederlandsche volk opgeschreven naar aanleiding van m'n
40-jarig jubileum als concert- en opera-zanger 1876-1916 (Amsterdam:
Scheltens & Giltay, 1916)
2. Averkamp – De Zangkunst en
Hare Sterren (’s Gravenhage: J. Philip Kruseman, 1928)
3. Bottenheim – De Opera in
Nederland (Amsterdam: P.N. van Kampen & Zoon N.V., 1946)
4. Cronheim – 50 Jaar
Wagnervereeniging (Amsterdam: Munster’s Drukkerijen NV, 1934)
5. Reeser – Een eeuw muziek
in Nederland (1815 – 1915) (Amsterdam: Querido, 1950)
6. Annalen van de
Operagezelschappen in Nederland [eindred. Piet Hein Honig] (Amsterdam:
Theater Instituut Nederland, 1996)
©
Portretfoto Jos M Orelio
© Gounod - Faust (Méphistophélès)
© Leoncavallo - Pagliacci (Tonio)
© Puccini - Tosca (Scarpia)
© Rossini - Guillaume Tell (titelrol)
|