|
OPERA
NEDERLAND |
|
|
REPORTAGE Helden en heldinnen van Opera Nederland tot 1939 (3) Door: Mark Duijnstee Jacques Urlus, tenor (1867 - 1935)
De Nederlandse heldentenor Jacques Urlus beleefde een indrukwekkende operacarrière, die ruim veertig jaar duurde. In totaal vertolkte hij 67 verschillende rollen, die hij elk in zowel Duits, Nederlands als de oorspronkelijke taal kon zingen. Daarnaast maakte Urlus furore als concertzanger. Overal ter wereld - in steden als Amsterdam, Brussel, Londen, New York, Parijs, Wenen, Praag, Stockholm, Kopenhagen en Barcelona - werkte hij met topdirigenten als Arturo Toscanini, Erich Kleiber, Willem Mengelberg, Bruno Walter, Sir Thomas Beecham en Richard Strauss. 1867 1893
Wegens ziekte van Désiré Pauwels krijgt Jacques Urlus – als zijn vervanger – op 11 januari 1896 bij de Nederlandsche Opera opeens de kans de titelrol in ‘Tannhäuser’ van Richard Wagner te vertolken. Op 23 februari 1896 maakt hij nog zijn roldebuut als Max in ‘Der Freischütz’ (‘Het proefschot’) van Carl Maria von Weber naast Cato Engelen-Sewing als Agathe. Op 1 september 1896 maakt hij zijn debuut in de titelrol van ‘Lohengrin’ naast Joseph Orelio als Telramund en Cato Engelen-Sewing als Elsa en op 8 december 1896 nog zijn roldebuut als Turiddu in ‘Cavalleria Rusticana’ (‘Siciliaansche boereneer’) van Mascagni. Op 13 maart 1897 maakt Urlus zijn roldebuut als Manrico in ‘Il Trovatore’ (‘De troubadour’) van Verdi bij de Nederlandsche Opera in de Amsterdamse Parkschouwburg en op 13 april 1897 maakte hij bij het gezelschap in de Amsterdamse Stadsschouwburg zijn roldebuut als Siegmund in ‘Die Walküre’ naast Joseph Orelio als Wotan en Cato Engelen-Sewing als Sieglinde.
Bij de Nederlandsche Opera maakt hij in 1899 op 3 maart zijn roldebuut als Radames in ‘Aida’ van Verdi en op 26 maart zijn roldebuut in de titelrol van ‘Rienzi’ van Wagner. Op 1 september 1899 zingt Urlus de rol van Assad in ‘Die Königin von Saba’ (‘De koningin van Saba’) van Goldmark naast de Salomon van Joseph Orelio en de zus van Urlus, Truus Blom-Urlus, zingt de rol van Astaroth. 1900 Urlus zingt in 1901 slechts twee maal bij de Nederlandsche Opera, in de titelrollen van de Wagner-opera’s ‘Tannhäuser’ en ‘Lohengrin’.
In 1903 maakt Urlus zijn 25 eerste plaatopnamen. In totaal zou hij zo’n 150 platen opnemen. De opnamen uit 1903 zijn allemaal met pianobegeleiding en gezongen in het Nederlands. Hieronder zijn vier duetten met de Cato Engelen-Sewing uit ‘Carmen’, ‘Les Huguenots’, ‘Lohengrin’ en ‘Faust’. 1905 In 1907 zingt hij in Nederland in ‘Die Walküre’, ‘Siegfried’ en ‘Götterdämmerung’ tijdens gastvoorstellingen van de Städtisches Theater Elberfeld in het kader van de Rotterdamse meifeesten en in september bij de Opera-Vereeniging de rol van Herodes in ‘Salome’ van Richard Strauss. Voor “His Master’s Voice” maakt hij tussen 1907 en 1912 in Leipzig en Berlijn voor het label Gramophone met orkest 19 plaatopnamen van diverse operafragmenten in het Duits, waaronder zes duetten met Melanie Kurt uit ‘Aida’ en ‘Die Walküre’ en twee trio’s met Melanie Kurt en Paul Knüpfer uit ‘Fidelio’ en ‘Faust’.
Bij de Noord-Nederlandsche Opera zingt hij in 1909 ‘Tiefland’. Verder in hij te horen in ‘Tristan und Isolde’ als gastvoorstelling van het Stadttheater Barmen in Nederland, in ‘Tannhäuser’, ‘Lohengrin’ en ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ als gastvoorstellingen van de Städtisches Theater Elberfeld in het kader van de Rotterdamse meifeesten en in december in ‘Siegfried’ opnieuw als gastvoorstelling van de Städtisches Theater Elberfeld. Ook maakt hij in 1909 zijn debuut in München als Tristan. In 1909 en 1910 neemt hij voor Pathé in Berlijn met orkest 14 platen op met operafragmenten in het Duits, waaronder twee duetten met Thila Plaichinger. 1910 In de zomer van 1911 debuteert Urlus bij de Festspiele van Bayreuth in de rol van Siegmund. Pas op 26 oktober 1911 zingt hij voor het eerst bij de Nederlandse Wagnervereeniging als Tristan. Verder zingt hij in november nog de rol van Herodes in ‘Salome’ in een productie in het kader van het Richard Strauss-feest in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. Vanaf 1911 treedt hij ook veelvuldig op in het Théâtre Royal de la Monnaie in Brussel. Urlus maakt in 1912 een concertreis naar Boston en New York. Op 12 februari 1912 geeft hij met Tristan zijn Amerikaanse debuut in Boston naast de Isolde van Johanna Gadski, die inviel voor Lilian Nordica. Urlus is nu 45 en in de bloei van zijn zangcarrière. Hij blijft 17 dagen in Amerika, zingt vijf keer in Boston en wordt teruggevraagd met een contract voor vijf jaar. Tijdens zijn verblijf wordt hij ook geëngageerd voor de Metropolitan Opera van New York door de Italiaanse intendant van de Met Giulio Gatti-Casazza. In de zomer van 1912 zingt Urlus in zijn tweede en laatste seizoen in Bayreuth opnieuw de rol van Siegmund in ‘Die Walküre’. Op 6 oktober zingt hj in Praag zijn 150e Tannhäuser. In Nederland is hij bij de Wagnervereeniging op 7 november 1912 te horen in de rol van Siegmund naast Anton van Rooy als Wotan. Op 18 januari 1913 zingt Urlus bij de Wagnervereeniging de rol van Herodes in ‘Salome’. Daarna vertrekt hij naar Amerika voor zijn officiële debuut aan de Metropolitan Opera van New York op 13 februari als Siegfried. Maar de Tristan van 8 februari zegt af wegens het overlijden van zijn vrouw en Urlus moet inspringen. Echter, hij schat de klimaatverandering niet goed in en de voorstelling wordt een grote catastrofe, omdat Urlus zich door een hoestbui verslikt. Dirigent Arturo Toscanini breekt de voorstelling echter niet af. Johanna Gadski, die de rol van Isolde zingt, vult op sommige plaatsen Urlus’ partij in en in de derde akte worden de scènes van Tristan geschrapt. Het optreden van Urlus in ‘Siegfried’ drie dagen later is echter een gigantisch succes en na het eerste bedrijf wordt hij twaalf keer teruggeroepen door het publiek. Hij vestigt hiermee in één klap zijn positie als de nummer één heldentenor van de Met. Enrico Caruso – die nooit Duits zong – is op dat moment aan de Met de eerste tenor van de Italiaanse opera en vijf jaar delen zij hun kleedkamer. Na het succes als de jonge Siegfried zingt Urlus in de Met op 15 februari nog Siegmund, op 20 februari nog Siegfried in ‘Götterdämmerung’ en op 28 februari revancheert hij zich met Tristan, opnieuw onder leiding van Toscanini. Verder zingt hij er in zijn eerste Met-seizoen nog Tannhäuser, Lohengrin en Stolzing en valt hij op 17 april voor Leo Slezak zelfs in als Tamino. Urlus maakt in juli 1913 tien plaatopnamen tijdens zijn eerste sessie voor het label Edison in Londen. Op 21 november 1913 opent hij zijn tweede Met-seizoen met de titelrol van ‘Lohengrin’. In februari 1914 is Urlus opnieuw in London om in de Edison studio opnieuw een aantal fragmenten te doen, die van de vorige sessie waren afgewezen. Op 24 februari 1914 zingt Urlus in Covent Garden Londen de titelrol van ‘Parsifal’. Verder treedt hij in dat seizoen in Londen nog op als Siegmund, Tristan en Stolzing. Op 4 mei is hij te horen in de titelrol in ‘Parsifal’ onder leiding van Hans Knappertsbusch in een productie in het kader van de Rotterdamse meifeesten in de Groote Schouwburg van Rotterdam. Leipzig ontslaat hem in dat jaar van zijn contract en biedt hem een Gastspielvertrag aan. Op 18 november begint zijn derde Met-seizoen met opnieuw de titelrol van ‘Lohengrin’. 1915 Op 22 februari 1916 zingt Urlus zijn eerste Parsifal in de Met. Voor het eerst sinds twee jaar is hij vervolgens weer in Nederland in een opera te horen. Bij de Wagnervereeniging zingt hij Tannhäuser en treedt hij op als Tristan naast de Brangäne van de Duitse mezzosopraan Ottilie Metzger, die in 1942 door de Nazi’s in Auschwitz vermoord zou worden. Op 13 april 1917 beëindigt hij zijn vijf jaren in de Met met een opvoering van ‘Tristan und Isolde’. De Amerikanen nemen deel aan de Eerste Wereldoorlog en Wagner-opera’s worden niet meer opgevoerd. In zijn laatste seizoen aan de Met trad hij 40 keer op met een honorarium van 1000 dollar per avond. In 1917 zingt Urlus bij de Wagnervereeniging titelrollen in ‘Parsifal’ en ‘Siegfried’. Ook zingt hij in dat jaar voor het eerst in ‘Das Lied von der Erde’ van Gustav Mahler, dat hij tot 1934 jaarlijks zou zingen. Ook is Urlus in 1917 in het tweede seizoen van De Nederlandsche Opera van Gerhardus Koopman te horen in de rol van Siegmund in ‘Die Walküre’ en de titelrol van ‘Lohengrin’. Verder zingt hij in 1917 Herodes in ‘Salome’, Stolzing in ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ en Erik in ‘Der fliegende Holländer’ tijdens opvoeringen in de reeks “Groote Opera-avonden” in Den Haag. Bij De Nederlandsche Opera zingt Urlus in 1918 de titelrol van ‘Tannhäuser’ alternerend met Chris de Vos en Jules Moes en verder Turiddu in ‘Cavalleria Rusticana’ en Canio in ‘Pagliacci’ (Paljas). Ook is hij in dat jaar bij de Wagnervereeniging te horne in de rol van Siegfried in ‘Götterdämmerung’ en Siegmund naast Elisabeth Ohms als Waltraute. In Kopenhagen treedt hij op in de titelrol van ‘Tannhäuser’ naast Lauritz Melchoir. Melchior zelf schrijft in zijn memoires, dat hij de rol van Heinrich der Schreiber zong.
1920 Bij N.V. Nationale Opera zingt Urlus in 1921 in ‘Tiefland’ (‘Laagland’) van D’Albert en de titelrollen in ‘Siegfried’, ‘Tannhäuser’ en ‘Lohengrin’. Verder is hij er te horen in een voor hem uitzonderlijke rol, namelijk als Cavaradossi in ‘Tosca’, als Stolzing in ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ en als Siegfried in ‘Götterdämmerung’ naast Cornelis Bronsgeest als Gunther en Maartje Offers als Waltraute. Bij N.V. Nationale Opera zingt hij in 1922 in de titelrol in ‘Siegfried’ naast Frieda Leider als Brünnhilde en Maartje Offers als Erda, in ‘Samson et Dalila’ (Samson en Dalila’) van Saint-Saëns naast Offers als Dalila en ‘Lohengrin’ naast Offers als Ortrud. Met het Duitse gezelschap van Leo Blech maakt Urlus in 1923 een tournee naar de Verenigde Staten. Op 27 februari 1923 zingt hij in New York zijn 100e Siegmund. Verder is hij in dat jaar bij N.V. Nationale Opera te horen in de titelrol in ‘Parsifal’ naast de Amfortas van Anton van Rooy. Daarnaast treedt hij op in de rol van Tazio in ‘Imilda’ van de Rotterdamse componist Theodoor Verheij tijdens een uitvoering van de opera ter gelegenheid van diens 75e verjaardag in zijn geboortestad. In Berlijn neemt Urlus in 1923 voor het label Polydor in het Nederlands – met uitzondering van twee fragmenten in het Latijn – 12 solofragmenten op met orkest. In 1924 zingt hij bij het door dirigent Albert Raalte medeopgerichte gezelschap Co-Opera-Tie Lohengrin, Siegmund en Tristan. Voor het label Odeon neemt hij tussen 1924 en 1926 in het Duits – met uitzondering van ‘La Gioconda’ (Italiaans) en ‘Le Cid’ (Frans) – 10 fragmenten op, waarvan ‘Lohengrin’ en ‘Le Cid’ elektrische opnamen zijn. 1925 In 1926 is Urlus bij de Wagnervereeniging te horen als Tristan onder leiding van Richard Strauss. Tijdens de winter van 1926 / 1927 zingt hij zo’n 25 gastvoorstellingen bij de Berliner Staatsoper. In een productie in de reeks “Buitengewone Opera-Avonden” in Den Haag zingt Urlus in 1927 de titelrol in ‘Siegfried’ naast de Erda van de Tsjechische alt Magda Spiegel, die in 1944 door de Nazi’s in Auschwitz vermoord zou worden. Midden 1927 treedt hij bij de Wagnervereeniging op als Florestan in ‘Fidelio’ naast de Leonore van Elisabeth Ohms onder leiding van Fritz Busch. Met het Duitse gezelschap van Sol Hurok maakt Urlus opnieuw een tournee naar de Verenigde Staten. Bij Co-Opera-Tie zingt Urlus in 1928 de Siegfrieds in ‘Siegfried’ en ‘Götterdämmerung’ en Tristan. Bij de Wagnervereeniging zingt hij Siegmund in ‘Die Walküre’ naast de Gerhilde van de Duitse sopraan Henriette Gottlieb, die in 1942 in het concentratiekamp Lodz vermoord zou worden. Urlus maakt in 1928 één elektrische opname, maar die wordt ingetrokken. In 1929 wordt zijn autobiografie ‘Mijn loopbaan’ gepubliceerd, waarin Jacques Urlus zijn carrière samenvat. In dat jaar zingt hij bij de Wagnervereeniging Parsifal naast Elisabeth Ohms als Kundry onder leiding van Pierre Monteux. Verder is hij als Tristan te horen in een productie in de reeks “Buitengewone Opera-Avonden” te Den Haag naast de Isolde van Frieda Leider. 1930 In 1931 zingt hij nog acht maal in de complete ‘Ring des Nibelungen’ in Brussel - ‘Das Rheingold’, vijf maal ‘Die Walküre’ en twee maal ‘Götterdämmerung’ - daarnaast nog vijf maal ‘Tristan und Isolde’. Dat jaar is hij bij de Wagnervereeniging te horen als Stolzing in ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ onder leiding van Fritz Busch, zingt hij op 12 november in ‘Das Lied von der Erde’ in het Concertgebouw te Amsterdam onder leiding van Mengelberg en neemt hij op 21 november 1931 afscheid van het Nederlandse operatoneel bij de Amsterdamse Wagnervereeniging met Tristan, de rol die hij meer dan 200 maal had gezongen. Volgens sommige bronnen zingt Urlus in 1932 nog Stolzing in ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ in Nederland, wellicht een concertante opvoering. Urlus verzorgt op 19 januari 1933 een zangavond in de sociëteit Lommerijk in het Rotterdamse Hillegersberg. Op 19 februari 1933 zingt hij nog fragmenten uit Wagner opera’s in het Concertgebouw te Amsterdam onder leiding van Erich Kleiber. Op 5 april zingt hij in Amsterdam in Händels ‘Joshua’ met de sopraan Helène Cals. Een optreden in München zou Urlus in dat jaar op het laatste moment afgezegd hebben, aangezien op het affiche – in opdracht van de Führer – eerst de Duitse zangers vermeld staan en daarna pas de buitenlandse. Verder zingt hij in 1933 in Nederland nog in ‘Das Lied von der Erde’ onder leiding van Mengelberg. Het laatste optreden moet op 18 juni 1933 in het Concertgebouw geweest zijn, onder leiding van Eduard van Beinum. Hij zingt dan aria's uit ‘Joseph’, ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ en ‘Lohengrin’. De AVRO zendt dit concert via de radio uit. Eind 1933 wordt bij Urlus prostaatkanker ontdekt. 1935
Bronnen: Met dank aan Frans van Schoonderwalt
© Wagner - Lohengrin (titelrol) |
|