|
OPERA
NEDERLAND |
|
|
Opera Zuid Vrijzinnige ‘Tsaar Saltan’ bij Opera Zuid Door: Mark Duijnstee
Vorig jaar was het 100ste sterfjaar van Rimsky-Korsakov (1844 – 1908) en Opera
Zuid (OZ) viert dat met een prachtige productie van diens opera ‘Tsaar Saltan’ in
haar reeks sprookjesopera’s. Waarschijnlijk gaat het hier om de scenische, Nederlandse première. ‘Tsaar Slatan’ is niet de meest dramatische opera van Rimsky-Korsakov. Het ontbreekt aan diepere psychologie en emoties worden vermeden. Het is meer een serie scènes met pracht en praal dan een daadwerkelijk drama, maar daardoor is het wel één van zijn meest weelderige and kleurrijke opera’s. Net als de ‘Rusalka’ brengt OZ deze ‘Tsaar Saltan’ in een vrije Nederlandse hertaling door de regisseur. Sybrand van der Werf, die in 2006 ‘Blauwbaards Burcht’ van Bartók regisseerde en regie-assistent was bij de OZ-producties ‘Il Barbiere di Siviglia’ en ‘Cendrillon’, was gebonden aan het eenvoudige rijmschema, dat we ook terugvinden bij Poesjkin en Rimsky-Korsakov, dat in het Nederlands al snel naïef klinkt. Van der Werf is muzikaal en ademt mee in het ritme van Rimsky-Korsakovs muziek. Van der Werf haalt het conservatieve sprookje uit elkaar, vertelt het opnieuw en voegt ironie toe. De personages blijven echter goed intact. Helaas brengt van der Werf een oncharismatische verteller in het spel, die onverstaanbaar door de ouverture heen tettert, waardoor het publiek muzikaal niet opgewarmd wordt. De transformatie van zwaan in prinses, muzikaal gebaseerd op de ontwikkeling van eerdere thema’s en harmonieën, is mooi gedaan door de verandering van het geveerde kostuum in een bruidsjurk. Het sobere decor is een cirkel als een houten pot en een zinkend eiland met deinende golven van wapperende doeken door fraaie belichting. Een briljante vondst is het om “De vlucht van de hommel” door de zaal te projecteren.
Wie de studio-opname van ‘Tsaar Saltan’ uit Moskou van 1953 kent, moet toegeven
dat OZ een prima bezetting bijeen heeft gebracht. Er wordt een knap staaltje
ensemblewerk afgeleverd door jonge, Nederlandse operazangers, waarbij de mannen
het er het beste vanaf brengen. Marcel van Dieren als tsaar Saltan heeft een
mooie, slanke bas. Zijn monoloog in akte IV was het muzikale hoogtepunt van de
avond. Door forse coupures in akte I is hij helaas pas na de pauze in akte III voor het eerst te horen.
Harrie van der Plas als
Gwidon heeft met zijn fraaie, lyrische tenor het juiste timbre voor de rol en
soms jugendlich-heldische momenten. Opvallend is wel zijn Italiaanse manier van
vóór de tel zingen en naar de noten toe slepen. Letterlijk en figuurlijk met kop
en schouders boven de rest steekt uit Wiard Witholt, die zich inmiddels in spel
en stem zonder schroom één van de beste lyrische baritons van Nederland mag
noemen. De sopraan
Fenna
Ograjensek is
geen jugendlich dramatische Militrissa en komt door te weinig lichamelijke
kracht nauwelijks over in de zaal. Het beste wat de alt
Lucia Meeuwsen als Babaricha
nog kan geven, komt misschien het meest in de buurt van een soort “Sprechgesang”.
Het koor van het Conservatorium van Maastricht hoorden we zelden zo sterk als
hier in zijn dankbare, folkloristische partij. Mede verantwoordelijk hiervoor
was waarschijnlijk dirigent Antony Hermus, wiens strakke hand ook het
Limburgs Symfonie Orkest tot ster van de avond maakte. Hermus kleurt de briljante orkestratie van Rimsky-Korsakov prachtig
doorschijnend in de recitatieven en fantasievolle passages met hun
sprookjesachtige naïveté en laat met verve de grote realistische gedeelten
opzwellen tot Wagnerachtige proporties, zoals in het tweede gedeelte van de
eerste akte als de scène dramatisch wordt. En nog mogen de musici hier
minder bescheiden zijn, al worden zij niet geholpen door de matige
akoestiek van het Lucent Danstheater. |
|