|
OPERA
NEDERLAND |
|
|
Diverse recensies Titelheld ontstijgt statische ‘Don Carlo’ Door: Mark Duijnstee
Stichting Internationale Opera Producties (SIOP) brengt Oost-Europese operagezelschappen met veelal traditionele ensceneringen naar Nederland. De ‘Don Carlo’ van Giuseppe Verdi (1813 – 1901) door de Staatsopera van Varna is zo’n productie, die zich typeert door de statische regie en de muzikaal wisselvallige uitvoering. Verdi voelde zich aangetrokken tot de traditie van de Grand Opéra van Parijs. Deze traditie kenmerkt zich door grote koren en ensembles, een centraal ballet en een groot doek waarmee elke akte eindigt na een onverwachte confrontatie, een plotse wending of bijzonder effect. De opera’s zijn grandioze, historische fresco’s en indrukwekkende drama’s met complexe relaties en verhaalstructuren. In deze traditie schreef Verdi ‘Don Carlos’, die in Parijs in 1867 in première ging. Het probleem met de opera was en is, dat het verhaal zich langzaam ontvouwt met opeenstapelingen, waardoor het schijnbaar maar niet tot een conclusie komt. Niet alleen vanwege deze dramatische en esthetische redenen, maar ook in verband met de lange duur van de opera, reviseerde Verdi ‘Don Carlos’ vele malen: voor Napels 1872, Wenen 1875, Milaan 1884 en Modena 1886. Van deze herzieningen bestaat alleen de Milanese versie uit vier akten.
‘Don Carlo’ vraagt zes solisten van formaat en bij SIOP moet je het wat betreft de solisten net treffen. Maar soms word je van één van de zangers al blij, zoals bij hun ‘Madama Butterfly’ toen de Nederlandse sopraan Annemarie Kremer zich onthulde in het Italiaanse verismo. Deze keer betrof de verrassing de titelrol gezongen door de Bulgaarse tenor Martin Iliev. Hij klinkt als een jonge Kurt Baum, heeft een goed open geluid en zingt ongelooflijk goed gesteund, zodat de passie vanuit zijn lichaam komt en Carlos’ kwetsbaarheid continu voelbaar is. Linka Stoyanova als Elisabetta heeft een mooie stem en heeft de neiging alle tonen aan te zuigen. Haar gecontroleerde manier van zingen geven haar karakter iets nobels. Niko Isakov als de liberale Posa zingt nasaal en het is soms moeilijk te onderscheiden welke noot hij zingt. Petya Dimitrova als Eboli zingt onverstaanbaar alsof ze de klank vasthoudt en niet wil loslaten, zodat haar woede en haar inwendige wanhoop niet tot uiting komt. Ivaylo Dzurov als de ambivalente Fillips II is een goed gesteunde bas met mooi geluid, zonder solide hoogte en laagte. De Grand Inquisitore is Dimitar Stanchev, een heerlijke, oudgediende Bulgaar die zich het lekkerste voelt onder de lage C. Vanaf het eerste akkoord zijn er forse intonatie- en ensembleproblemen bij het orkest, dat lijkt te bestaan uit verkouden blazers en uitgedunde strijkers onder leiding van dirigent Hristo Ignatov. De traditionele regie van Kuzman Popov is statisch met de zangers op een rij en het koor aan weerszijden van het toneel. De solisten gaan door de knieën telkens als het over onze lieve Heer gaat en het doek valt na elke scène. De kostuums zijn daarentegen zoals altijd bij Oost-Europese gezelschappen prachtig.
Deze ‘Don Carlo’ is helaas
te wisselvallig om een ruime voldoende te krijgen. De voorstellingen van de SIOP
zouden pas echt slagen als men meer oor voor muzikale details zou hebben. Er is
weldegelijk een markt voor deze traditionele voorstellingen, maar het muzikale
gehalte moet wel gewaarborgd worden. Anders zullen we in deze economisch moeilijke tijden steeds vaker zien, dat de zalen halfgevuld zijn zoals
deze keer in
Alkmaar en dat producties geannuleerd moeten worden zoals inmiddels bij SIOP’s
vijfde en laatste operaproductie van dit seizoen gebeurd is. |
|