|











| |
NIEUWE CD UITGAVEN
JULI 2010
De
stichting ‘Vrienden van Winterraaize’ heeft de Groningse dichter Jan Siebo Uffen,
die eerder al een bewerking van Schumanns ‘Dichterliebe’ (‘Dichterlaifde’)
maakte, opdracht gegeven Schuberts ‘Winterreise’ in een Gronings te vertalen. De
vertaling van het Hoogduits naar het Nedersaksisch is wonderwel geslaagd. Het leidde tot interpreteren, variëren en durven en uiteindelijk heeft Uffen met ‘Winterraaize’ van Franz Schubert de zweem van
oorspronkelijke klanken verbluffend goed weten te behouden. Vergelijk
bijvoorbeeld “Du fändest Ruhe dort” met “Ooit rust doe doar in vree” in ‘Der
Lindenbaum’. De 24 liederen worden gezongen door Henk Smit, geboren in
het Friese dorp Surhuisterveen, tegen de grens met Groningen. Zijn rijpe bas-bariton past uitstekend bij de melancholische liederen van Schubert, die
worden overschaduwd door de dood. Begeleid door Stanley Hoogland op
fortepiano met piepende pedalen en opgenomen in de droge klank van de Chapel Studio Tilburg is de vertolking een interessante en welkome aanvulling
op de bestaande catalogus. (www.schubertingroningen.nl Catalogusnummer
31011797)
*****
‘Hausmusik’
is de titel van een verzamel CD, waarop liederen zijn bijeengebracht, die iets
te maken hebben met Theobaldgasse nummer 7 in Wenen. Op de tweede verdieping van
dit huis woonde rond 1910 muziekcriticus dr. Julius Korngold en de bovenbuurman was
dirigent Bruno Walter. Het was een muzikale ontmoetingsplaats voor componisten als Puccini, Goldmark, Bittner en Zemlinsky en men kan ervan uitgaan dat hun
liederen in het huis zijn gehoord. De Israëlische sopraan Sylvia Greenberg
en de Amerikaanse pianist David Aronson wonen nu op Theobaldgasse
7 en hebben voor de CD ‘Hausmusik’ liederen van deze componisten verzameld. Sylvia Greenberg had al vanaf
begin jaren 80 een goede internationale carrière met onder anderen in 1983 de Waldvogel in Bayreuth en ze zong in 1992 zelfs de titelrol in ‘Lucia di
Lammermoor’ in de Scala. Ze geeft op deze CD – opgenomen in 2009 – een jeugdige
klank aan haar slanke sopraan. De CD roept de unieke sfeer van begin 1900 op en
geeft een aardige weerspiegeling van de muziek van die periode. De opname is helder en direct. (Telos TLS 1008)
*****
De
operette ‘Les Aventures du Roi Pausole’ van Arthur Honegger was de
eerste van zijn drie vaudevilles en het libretto is gebaseerd op een erotische
roman van Pierre Louÿs. De wereldpremière van 1930 was zo’n groot succes, dat
Honegger nog in datzelfde jaar hoogtepunten van de operette opnam in de studio.
Opera Trionfo toerde in het najaar van 2008 met een opvoering ervan door
Nederland, die helaas te lijden had onder een matige enscenering. Twee maanden
na de première maakte het gezelschap een opname van de operette in de studio,
die nu op CD is verschenen. Mattijs van der Woerd brengt autoriteit in de
rol van Roi Pausole, de koning met 365 echtgenotes en slechts één dochter.
Luister naar zijn prachtige bariton en idiomatisch Frans in “Air de la Coupe de
Thulé”. Francis van Broekhuizen is uitbundig als koningin Diane en de
tenor Fabio Trümpy is een wervelende Giglio. Luister naar hun
prachtige “Duo du Rêve”. Marijje van Stralen fonkelt als het melkmeisje
Thierrette in het onweerstaanbare “Entrée du Chocolat Espagnol”. De bas-bariton
Niklaus Kost als de pachter Métayer heeft een volwassen geluid. Het Nieuw
Ensemble speelt fantastisch onder leiding van dirigent Ed Spanjaard.
Spanjaard demonstreert hier zijn stijlbeheersing van middeleeuws lied en
cantates tot recitatieven en aria's, maar ook in jazz, ragtime, paso doble,
militaire muziek en Amerikaanse hymnen. De opname is een belangrijke bijdrage
aan de discografie van deze operette, die slechts één integrale – niet meer
leverbare – studio-opname uit 1993 bevatte. De geluidskwaliteit van de nieuwe
opname is werkelijk uitstekend. Alleen jammer dat de tracknummers niet
overeenkomen met de nummers in de tekst. (Briljant Classics 9152)
*****
Stanisław
Moniuszko (1819 – 1872) is vooral bekend vanwege zijn opera’s, maar heeft daarnaast nog zo’n 300 liederen geschreven. Op
de CD ‘Pieśni’ zijn opnamen van de Moniuszko liederen door de alt Jadwiga
Rappé uit 1986 heruitgebracht. Rappé nam al zo’n 43 CD’s op, waarvan 18 met
Poolse muziek. Voor deze CD maakte zij een afwisselende selectie van 16
gevarieerde liederen uit Moniuszko’s twaalf liedboeken ‘Śpiewnik domowy’
(‘Liedboeken voor huiselijk gebruik’), die hij schreef tussen 1842 en 1860. Het
zijn miniatuurtjes en de meeste liederen zijn eenvoudig en strofisch. Vaak
hebben ze de vorm van een dialoog, zoals “Serce moje” en “Złota rybka” of van
een ballade, zoals “Dlaczego?” en “Ja ciebie kocham”. De liederen zijn nu eens
gevoelig, zoals in “Do dziecięcia” of “Tęsknota”, dan weer humoristisch, zoals in
“Przyczyna” (16), dan weer zwaarmoedig zoals in “Pionsnka bez tytułu”. De
liederen getuigen van Moniuszko’s originaliteit en melodische vindingrijkheid.
Jadwiga Rappé heeft een fantastische alt. Het is niet voor niets dat zij befaamd
is vanwege haar vertolking van Erda in Wagners ‘Ring’. Zij nam de rol al op voor
EMI onder leiding van Bernard Haitink en zong Erda in Wenen, Londen, Brussel,
Berlijn en Frankfurt. Rappé is hier een goede ambassadrice van Moniuszko’s
muziek. Ze wordt attent begeleid op piano en fortepiano door Maja Nosowska.
Het academisch epistel in het CD-boekje had weggelaten kunnen worden en is
alleen geschikt voor de gevorderde Moniuszko-kenner. De CD bevat helaas slechts
minder dan 40 minuten muziek. (Dux 0743)
*****
Ruggiero
Leoncavallo (1857 – 1919) is vooral bekend van zijn opera ‘Pagliacci’ uit
1892. Vijf jaar eerder had hij het symfonische gedicht voor tenor en orkest ‘La
Nuit de Mai’ gecomponeerd, dat goed ontvangen was bij pers en publiek. De tekst van Alfred de
Musset had Leoncavallo waarschijnlijk gelezen in Parijs, waar hij in die tijd
woonde. Het werk is relatief onbekend gebleven. Het is een dialoog tussen een
dichter en zijn muze van bijna drie kwartier met vijf fragmenten voor tenor, Le
Poète, afgewisseld met zeven instrumentale intermezzi voor orkest, La
Muse. De fragmenten voor de dichter zijn kort en regelmatig, terwijl de
instrumentele delen langer en gevarieerder zijn. Vaak zijn de melodieën subtiel,
maar clichématig, zoals de muziek van La Muse, die over het algemeen wordt begeleid
door harp en pizzicato strijkers. In sommige delen is ‘Pagliacci’ volop
aanwezig, zoals in het “Lorsque le pélican”. Plácido Domingo zingt
op deze CD, die opgenomen is in 2007, de partij van Le Poète. Een talenwonder is
hij nooit geweest, dus perfect Frans hoeft men bij hem niet te verwachten. Maar
zijn tenor heeft nog altijd het prachtige timbre en legato en de hoge
A’s in “S’il ne te faut” (geen B, zoals in het CD-boekje staat) en hoge Bessen
in “Est-ce toi dont la voix m’appelle” verraden zijn leeftijd niet. Dirigent
Alberto Veronesi en het orkest van het Teatro Comunale van Bologna
leiden en begeleiden prima met Leoncavallo’s rijke orkestratie. Verder bevat de
CD vijf liederen van Leoncavallo, die allemaal gaan over
de liefde in de laatromantische traditie. Ook hier is ‘Pagliacci’ aanwezig in de
hoedanigheid van ‘La Chanson des yeux’ op tekst van de dichter André Chenier. De pianist Lang Lang
maakt hierin zijn debuut als
begeleider met een volle,
kleurrijke klank, die hij ook aanwendt in de twee solo pianowerken van Leoncavallo op deze CD. Ook de tekst van Alfred de Musset voor La Muse in ‘La
Nuit de Mai’ – waarop de zeven delen voor orkest gebaseerd zijn – is afgedrukt
in het CD-boekje, dat helaas geen biografieën bevat. (Deutsche
Grammophon 477 6633)
*****
Bij
de bombardementen op Dresden op 13 februari 1945 kwamen ongeveer 25.000 mensen om het
leven en raakten zo’n 350.000 inwoners dakloos. Ook de Semperoper – het operagebouw
van Dresden – aan het Adolf-Hitler-Platz brandde bijna volledig uit. Na de overgave
van de Nazi’s werd het muziekleven weer opgepakt en speelde het zangersensemble
van Dresden met onder anderen Hans Hopf, Christel Goltz en Gottlob Frick in de omgebouwde Tonhalle en het Kurhaus Bühlau. Ook werd in 1945 een begin gemaakt met
radio-uitzendingen vanuit het Hygiënemuseum, het Kurhaus Bühlau en het
Radiostation. Opnamen van deze uitzendingen, die gemaakt zijn tussen 1945 en
1951 zijn door Hänssler Profil uit het radioarchief verzameld en nu voor het
eerst uitgebracht in een box met drie CDs en één DVD ‘Gott! Welch
Dunkel Hier; Semperoper Edition Vol. 1’. Opnamen van de Heldentenor Hans
Hopf als Canio, Florestan, Manrico en Chenier en ook van de tenor Bern Aldenhopf
als Otello, Radames en Herodes laten horen hoe rijk de operacultuur was. De
Jugendlich Dramatische sopraan Christel Goltz is te horen als onder anderen Salome en Aida en als Schwarze bassen hadden niemand minder dan Kurt Böhme (hier
te horen als Plumkett en Falstaff in ‘Lustigen Weiber’) en Gottlob Frick (hier
als Sarastro en Procida) plaats in het ensemble. Het lyrische sopraanvak werd
gezongen door Elfride Trötschel (hier als Cio-Cio San, Mimi, Rusalka, Pamina en
Susanna) en Lisa Otto (als Musetta en Papagena te horen). Stuk voor stuk zangers
waar een casting manager tegenwoordig van zou dromen. De DVD bevat een
documentaire, waarop de stemmen van Christel Goltz en Lisa Otto zijn te horen,
die vertellen over het vroeg naoorlogse muziekleven in Dresden. (Hänssler
Profil PH10007)
*****
De
opera ‘Luisa Miller’ van Giuseppe Verdi heeft nooit echt haar weg
naar het grote publiek gevonden. Het was pas in 1974, dat het drama over liefde
en de dodelijke intrige in Wenen zijn première kreeg. De live-opname van de
uitvoering op 23 januari 1974 vanuit de Weense Staatsopera verscheen al in 2002
op CD (label Mitridate Ponto) en is nu op Orfeo uitgebracht. De titelrol wordt
gezongen door de Litouwse sopraan Lilian Sukis. Zij zong in de jaren
zeventig veel bijrollen in grote operahuizen en incidenteel hoofdrollen. Verder
naam ze rollen van Mozart en Cavalli voor de plaat op. Hier
is Sukis te horen in de dramatische coloratuurpartij van de titelrol en dat gaat
haar zeer goed af. In het begin doet haar timbre denken aan Joan Sutherland,
maar al snel ontwikkelt zij een eigen sprookjesachtige geluid en klank. Haar
smeekbede “Tu puniscimi, o Signore” is hartverscheurend. Het trio mannelijke
zangers waren uitstekend. Walter was – naast zijn Zaccaria – de grote glansrol
van Bonaldo Giaiotti. Hij zong de rol vaak in de Metropolitan Opera van
New York en de uitvoering uit de Met van 1979 is leverbaar op DVD (label
Deutsche Grammophon). Zaccaria nam de rol in 1975 op in de studio voor Decca naast Caballé en
Pavarotti. Giaiotti is een fantastische graaf en zijn bas
klinkt hier profundo, zoals je maar zelden echt hoort. De aria “Il mio sangue” zingt
hij exemplarisch. Franco Bonisolli was één van de grote lyrische tenoren
van de jaren zeventig. Met Rodolfo zette hij een stap in de richting van het
“Jugendlicher Heldentenor” vak. “Quando le sere al placido” zingt hij met
buitengewone, emotionele subtiliteiten en hij plakt er een hoge C in, die zelfs Lauri-Volpi in zijn glansrol Rodolfo niet zong. De onlangs overleden Giuseppe
Taddei is hier 57 jaar als hij Miller zingt. Zijn legato is nog altijd één
van de prachtigste in de militaristische melodieën van Miller. De bijrol van
Federica is luxueus bezet met Christa Ludwig. Dirigent Alberto Erede
laat al in de ouverture – één van Verdi mooiste – horen dat men een bijzondere
voorstelling kan verwachten. Het CD-boekje zit boordevol fraaie foto’s van de
voorstelling. Er is geen libretto afgedrukt, alleen een samenvatting. (Orfeo
C 784 102 I)
*****
Van
zowel de sopraan Renata Tebaldi als van de tenor Franco Corelli
bestaan er 15 opnamen van de opera ‘Tosca’ van Giacomo
Puccini. De oudste opname van Tebaldi als Tosca is de studio-opname op Decca
van 1951 en de laatste is van 1970 uit de Met (label On Stage). De eerste opname
van Corelli als Cavaradossi is van 1955 in Milaan (label Bongiovanni en de
laatste is van 1973 uit Lissabon (label Living Stage). Hun carrières gingen dus zo
ongeveer gelijk op en ieder waren zij de belangrijkste vertolker van hun rol in
‘Tosca’ in de jaren vijftig. Er zijn slechts twee opnamen bekend van hen samen
in deze opera. De 1964 opname uit de Met is niet verkrijgbaar op CD en daarom is
deze 1959 opname uit het Italiaanse stadje Livorno zo interessant. De opname
werd eerder uitgebracht op Legato Classics en is nu opnieuw verschenen op
Walhall. En wat een uitvoering! De zangers zijn in
hun glorietijd en de sfeer is onovertroffen. Het is alsof men bij een voetbalwedstrijd aanwezig is.
Hysterisch is het applaus bij de opkomsten en na de aria’s van Tebaldi en
Corelli. Het applaus na zijn “Vittoria” is alsof Corelli een doelpunt heeft gemaakt
en zijn diminuendo in “E lucevan le stelle” lokt het publiek uit tot fel
“bis”-geroep. Hilarisch ook de souffleur, die af en toe nog beter te horen is dan de zangers
zelf. De opname is akoestisch ruimtelijker dan de droge Legato
CD-uitgave uit de jaren 90, al lijkt het van dezelfde bron afkomstig te zijn. (Walhall WLCD 0311)
*****
De
Italiaanse bariton Ettore Bastianini was één van de meest succesvolle
baritons van de jaren vijftig. Hij zong veel tijdens de Maggio Musicale
Fiorentino, zoals Tomsky in Tchaikovsky's ‘The Queen of Spades’ (1952), Prince
Andrei Bolkonsky in Prokofiev's ‘War and Peace’ (1953), Yeletsky in opnieuw
Tchaikovsky's ‘The Queen of Spades’ (1954) en de titelrol in Tchaikovsky's
‘Mazeppa’ (1954). In 1957 zong hij er de rol van Don Carlo in de legendarische
‘Ernani’ onder leiding van dirigent Dimitri Mitropoulos met Anita Cerquetti,
Mario del Monaco en Boris Christoff. In 1962 werd bij Bastianini keelkanker
geconstateerd. Hij zong nog een aantal jaren door zonder dat het publiek dit
wist en ondanks vernietigende recensies. Hij overleed in 1967 op 44-jarige
leeftijd. Bastianini was één van de grote Nabucco’s van de jaren 50. Op Myto
verschenen al eerder drie opnamen van zijn ‘Nabucco’ van Giuseppe
Verdi: de Palermo 1961, de Maggio Musicale Fiorentino 1961 en de Maggio
Musicale Fiorentino 1959. Deze laatste uitvoering is nu door Myto heruitgebracht
op CD. Opvallend Bastianini’s volle en expressieve bariton. Indrukwekkend is hij in het duet in de derde akte en zijn grote
scène aan het begin van de vierde. Margherita Roberti is een wat lichte
Abigaille, maar met volle inzet. Paolo Washington is hier in zijn
glorietijd te horen als Zaccaria met een mooie, vaste bastoon. Dirigent Bruno
Bartoletti dirigeert strak en neemt soms langzame tempi. De opera wordt
gespeeld met de gebruikelijke coupures, zonder een enkele da capo en de opname
lijkt gemaakt in de buurt van de orkestbak. Met name vanwege Ettore Bastianini
een bijzondere opname. (Myto 00245)
*****
|