|











| |
De Nederlandse Opera
Liefde is dood in
‘Tristan und Isolde’ van De Nederlandse Opera
Door: Mark Duijnstee
©
Hans van den Boogaard
Operagezelschappen zijn
doorgaans terughoudend in de programmering van Richard Wagners ‘Tristan und
Isolde’. De opera is bijna onmogelijk te bezetten en het vergt een lange
repetitietijd. De Nederlandse Opera (DNO), bekend met lange repetitieperiodes,
heeft een goede bezetting mogelijk gemaakt, maar helaas gekeurslijfd in de
reprise van de destijds al alom verguisde productie van regisseur Alfred
Kirchner uit 2001.
‘Tristan und Isolde’ is Wagners zevende opera. Niet zozeer de filosofie van
Schopenhauer vindt zijn weerslag in het werk, zoals sommigen beweren, als wel
Wagners onvervulde liefde voor Mathilde Wesendonck. De wereldpremière in München
in 1865 werd ontvangen met verblufte bewondering en intense vijandigheid.
Voorstanders complimenteerden de volledig geïntegreerde muzikaal-poëtische
eenheid en de schoonheid van de vloeiende muziek met haar aharmonische systeem
en uitgesponnen mottoachtige fragmenten. Tegenwoordig wordt het bekritiseerd
vanwege het oubollige verhaal met zijn ‘valse’ sentimenten en de decadente
combinatie van liefde en dood. Feit is dat ‘Tristan und Isolde’ een unieke
plaats inneemt in het oeuvre van Richard Wagner.
Met Linda Watson heeft DNO één van de grootste Isoldes van onze tijd
binnengehaald. Zij komt uit het mezzovak en is sinds 2005 de vaste Brünnhilde in
Bayreuth. Linda Watson speelt een koninklijke Isolde en zingt met een
indrukwekkend en krachtig middenregister en stralende hoogte. De rol van Tristan
is, net als Isolde, één van de langste partijen in de operaliteratuur en vereist
hoge noten, vurige declamatie en lyrische gloed. Stig Andersen heeft een
lyrische tenor met een nobel timbre. Zijn reserves waren echter niet
probleemloos toereikend voor de lange en moeilijke passages van de zwaardere,
derde akte. Al in de eerste akte waren er problemen hoorbaar, maar door de
laatste akte te beginnen zonder de juiste spierspanning, gaf zijn stem juist
vroegtijdig op. Hopelijk vindt Andersen bij de volgende voorstellingen zijn vorm
terug.
Gerd Grochowski is de solide trouwe dienaar Kurwenal, die nog meer zou kunnen
variëren in dynamiek. Het zou ongetwijfeld helpen als hij ook meer het
Italiaanse vak zou zingen. Heidi Brunner is de opofferende dienares Brangäne (in
het persbericht wordt Mihoko Fujimura genoemd). De jonge mezzosopraan heeft een
mooie, egale stem, maar op sommige plaatsen nog te dun voor Brangäne. Stephen
Milling is een respectabele en waardige König Marke. In zijn langdradige,
gedesillusioneerde monoloog demonstreert hij met grootse gestalte zijn
prachtige, sonore borstregister, maar zijn kopregister is niet altijd even
sterk. Nederlandse bijdragen zijn van Henk Vonk die krachtig profiel geeft aan
Melot en Harry Teeuwen als Ein Steuermann. Zij laten horen dat in ‘Tristan und
Isolde’ geen kleine rollen bestaan, zoals Birgit Nilsson in haar autobiografie
schreef.
Ingo Metzmacher dirigeert op zijn bekende rommelige manier. Hij houdt de
muzikale boog niet gespannen, weet de verschillende componenten niet te binden
en bevat daardoor niet het gehele concept. Het klinkt droog en er zijn teveel
krachteloze momenten. Het ergste is misschien nog wel dat hij de opera ziet als
een symfonisch werk met de zangers als bijgerecht. Hij geeft hun inzetten
nauwelijks aan en overstemt ze met plezier; in de grote stijgingen veegt
Metzmacher de zangers feilloos van de bühne.
Regisseur van deze DNO productie is Alfred Kirchner (1937, Göppingen). Zijn
‘Tristan und Isolde’ is realistisch, aanschouwelijk en geloofwaardig en komt op
het toneel beter tot zijn recht dan op de commercieel leverbare DVD. De kostuums
en kapsels zijn verbeterd ten opzichte van 2001, maar afschuwelijk blijven de
kitscherige decors met de Stoïcijnse elementen (de kinderkamer sterrenhemel,
water door videoprojectie, de Arena grasmat en het vuur van Pierre Audi). Ook de
duistere en fantasieloze belichting draagt niet bij aan een heel opwindende
voorstelling. Kirchner heeft nooit de uitstraling gehad van zijn surrealistische
landgenoten Lehnhoff, Decker en Mussbach en zijn producties worden dan
ook alleen nog maar gespeeld in de kleinere operahuizen. En nog bij DNO
natuurlijk….
|