|
OPERA
NEDERLAND |
|
|
INTERVIEW Marianne Blok: “Je oren zijn je grootste vijand” Door: Mark Duijnstee
De coloratuursopraan Marianne Blok heeft, naast haar vele optredens, jarenlang les gegeven op de conservatoria. Nu geeft zij nog privéles aan leerlingen in binnen- en buitenland. “Iedereen kan zingen, maar de meesten houden zich vast aan technieken. Ze willen een bepaalde klank, die zij in hun hoofd hebben en die hun oren hen aanbieden. Maar je oren zijn je grootste vijand”. Marianna Blok werd geboren in Panana als dochter van haar Amsterdamse vader, die daar als KNSM agent werkte, en een Chinees-Panamese moeder, die bij de KNSM secretaresse was. “In Panama had ik een Cubaanse pianolerares, die vond dat ik een mooie stem had en zij stelde voor dat ik zangles ging nemen. Mijn vader introduceerde mij daarop bij de Nederlandse lerares Martha Spoel, die les gaf op het Conservatorium van Panama. Bij haar ben ik op mijn vijftiende begonnen met zangles en heb zes jaar bij haar gestudeerd. Op mijn 21ste ben ik vervolgens op haar advies naar Nederland gegaan, maar mijn diploma van Panama werd in Nederland niet erkend. Na voorzingen voor Meinard Kraak en Jan Keizer werd ik door het Conservatorium van Amsterdam aangenomen en moest ik mijn studie als het ware opnieuw beginnen. Jan Keizer had een bijzondere manier van werken, die uitstekend bij mij paste. De gewoonten van de Duitse techniek, die ik bij Martha Spoel had geleerd – de klank erg in de keel met nadruk op controle en volume – waren voor mij niet geschikt. Bij Keizer leerde ik op een zo natuurlijk mogelijke wijze te zingen, de klank zich vrij te laten ontplooien en vanuit die ervaring zijn we gaan opbouwen. Hij heeft me geleerd te vertrouwen op wat ik van nature had en al na anderhalf jaar vooropleiding kon ik de moeilijkste coloraturen zingen.”
“Begin jaren zeventig werd echter Jan Keizer ziek en vroeg men mij voor hem waar te nemen. Ik heb toen zeven jaar lesgegeven aan het Conservatorium van Amsterdam naast Cora Canne Meijer en Erna Spoorenberg. In 1981 kreeg ik van directeur Ton Hartsuiker een vaste aanstelling aangeboden als docente zang aan het Conservatorium van Utrecht. Onder anderen de tenor Frank van Aken en de sopraan Wiebke Göetjes waren daar leerlingen van mij. Die baan heb ik 19 jaar volgehouden en daarnaast heb ik nog zo’n 10 jaar lesgegeven aan het Conservatorium van Hilversum. Ik trad in die tijd nog zeer veel op als coloratuursopraan in binnen- en buitenland. Vele malen natuurlijk als Koningin van de Nacht in ‘Die Zauberflöte’, onder andere bij De Nederlandse Operastichting (DNO). Later in de jaren tachtig zong ik het Vuur, de Nachtegaal en de Prinses in ‘L’Enfant et les Sortilèges’ van Ravel en Cecelia in ‘Houdini’ van Peter Schat bij DNO. Hoogtepunt in mijn carrière was toch wel in 1980 de rol van de Knekelgeest in de wereldpremière van ‘Aap verslaat de Knekelgeest’ bij DNO. Deze rol had Peter Schat speciaal voor mij geschreven. De uitvoeringen vonden plaats in een tent op het landgoed Frankendael. Dat was voor mij nou opera, waarin je echt alles moest combineren: zingen, dansen, rollen, zwaard- en stokvechten. Ik vond het geweldig.”
De passie voor het doorgeven van haar kunde en ervaring heeft Marianne Blok
echter nog steeds en leerlingen uit binnen- en buitenland weten haar nog altijd
te vinden. “Leerlingen vliegen uit en kijken verder, maar toch hoor ik later
altijd terug, dat ze van mij een goede basis hebben meegekregen. Zelf heb ik
destijds met Jan Keizer veel geluk gehad. Hij was één van de beste docenten, die
ik heb meegemaakt. Hij heeft mij geleerd hoe het is om op een gemakkelijke en
natuurlijke manier te zingen. Iedereen kan zingen, maar de meesten houden zich
vast aan technieken, waardoor de natuurlijke klank van de stem verandert, de
souplesse vermindert en de schoonheid verdwijnt. Ze willen een bepaalde klank,
die zij in hun hoofd hebben, die hun oren hen aanbieden, die ze ergens anders
gehoord hebben en die ze willen imiteren, maar die niet uit henzelf voortkomt.
Maar je oren zijn je grootste vijand. Want je moet van binnenuit aanvoelen of de
klank uit jezelf komt en of de toon vanuit de subtiliteit van de eigen ervaring
ontstaat. En hoe beter een zanger zich voelt, hoe meer hij of zij kan zoeken,
voelen en geven. En op een gegeven moment kun je het verschil tussen “spanning”
en “ontspanning” steeds beter aanvoelen, waarop je steeds meer datgene kan doen,
wat je moet doen. Alleen is dat een zeer, zeer lange ontwikkeling... En dit is
slechts het topje van de ijsberg” |
|