|
Buitenlandse recensies
‘Der
Rosenkavalier’ zonder humor goddeloos langdradig
Door: Mark Duijnstee
© Jörg Landsberg
Al
halverwege zijn vierde opera ‘Elektra’ had Richard Strauss (1864 – 1949) samen
met de librettist Hugo von Hofmannsthal het idee opgevat een komedie te
schrijven. In Hannover zoekt regisseur Christof Nel in hun "Komödie für Musik"
‘Der Rosenkavalier’ het drama en gaat voorbij aan de humor, waardoor het vier
lange uren worden. En helaas moest de Nederlandse sopraan Kelly God wegens
ziekte afzeggen.
De
wereldpremière van ‘Der Rosenkavalier’ in 1911 in Dresden werd door critici
vijandig ontvangen als “oppervlakkige muziek” met een “humorloos libretto”, maar
de opera werd al snel een wereldwijde sensatie. Na ‘Elektra’ is ‘Der
Rosenkavalier’ niet zozeer een stap terug als wel een opzettelijke voortzetting
van gedachte en stijl. De thematiek van de opera lag voor de hand gezien
Hofmannsthals preoccupatie met het cultureel historische en het imperialistische
Wenen van Strauss met haar walsen en de sentimentaliteit. Muzikaal blijft
Strauss binnen de veilige grenzen van de tonaliteit, die hij met ´Salome´ en
´Elektra‘ bijna overschreed, maar de verandering van harmonische kleuren zijn in
‘Der Rosenkavalier’ onverwachter en het contrapunt en de vocale partij complexer
en minder compact. Strauss gaat hier verder in het uitkristalliseren van de
menselijke spraak in muziek en de vocale partij is minder lyrisch en
expressiever, waarmee hij het “Sprechgesang” anticipeert.
In
Hannover gaat ‘Der Rosenkavalier’ in regie van Christof Nel (Stuttgart, 1944),
één van de toonaangevende Duitse operaregisseurs met een wisselend oeuvre. Nel
ziet deze “Komödie für Musik” als een dramatisch verhaal en gaat voorbij aan de
humor, waardoor zijn enscenering zeer lang en zeer vervelend wordt. In zijn
concept komen de naïeve opmerkingen van een volwassen Octavian niet uit de verf.
Volgens het programmaboekje irriteerden Nel en zijn team zich aan de “Hosenrol”
van Octavian. Baron Ochs is niet de ongemanierde aristocraat waarop je niet echt
boos kunt worden, maar een weerzinwekkende Baron Scarpia zonder humor. Het einde
ziet Nel niet optimistisch en de Marschallin verlaat gebroken het toneel. Had
zij dan haar huwelijk op willen geven voor de puber Octavian? Voor alle akten is
er hetzelfde, saaie, rode decor van Jens Kilian, dat als een herhalende
maalstroom beweegt. Deze enscenering maakt duidelijk waarom de uitgever van
Strauss het concept van Max Reinhardt (de joodse regisseur die op uitdrukkelijk
verzoek van Strauss was aangesteld, maar in verband met het anti-semitisme
vanuit de coulissen zijn aanwijzingen moest geven) voor 50 jaar had vastgelegd.
Door de
humorloze enscenering blijven ook de zangstemmen helaas eenkleurig. Matilda
Paulsson heeft een fraaie, ronde mezzosopraan voor de titelrol van Octavian, één
van langste mezzo partijen van Strauss. Albert Pesendorfer zingt Baron Ochs auf
Lerchenau met een sterke, scherpe en standvastige bas-bariton.
Carol Wilson van de Deutsche Opera am Rhein viel in als de Feldmarschallin
Fürstin Werdenberg voor de Nederlandse sopraan Kelly God.
Bewonderenswaardig zette zij een vrouw “entre deux âges” neer met vele
gezichten: een grand-dame, sprankelende conversatiemaker en een betoverende
minnares met moederlijke gevoelens. Schijnbaar bracht zij haar eigen
interpretatie vanuit Düsseldorf en Duisburg mee voor deze rol. Dorothea Maria
Marx heeft een prachtige lyrische sopraan voor Sophie en dient haar stem niet
groter te maken dan zij is. Opvallend is de veelbelovende mezzosopraan van Okka
von der Damerau als Annina.
Voor de
wereldpremière waren maar liefst 33 volledige orkestrepetities (100 uren) nodig
en we vragen ons af hoeveel uren dirigent Wolfgang Bozic met het
Niedersächsisches Staatsorchester Hannover heeft gerepeteerd. Het slordig
spelende orkest wordt door hem wollig en ondoorschijnend door de partituur
gesleept. Deze productie is een gerenommeerd operahuis als de Staatsoper
Hannover onwaardig.
|